Artikel in Landelijk AD
Stichting GetOud legt de droom van 75-plussers vast in woord en beeld
Héél even zijn wat je altijd wilde worden
Door Maaike Kraaijeveld
Ver boven je zeventigste alsnog een keer je droom waarmaken. Even de piloot zijn die je vroeger hoopte te kunnen worden. Of marva in de marine, iets waarvan je moeder vond dat het niets voor meisjes was. Het bleven dromen voor de generatie 75-plussers die niet uitkwamen, bijvoorbeeld doordat de oorlog uitbrak, vaak ook omdat er geen geld was. Marion Duimel en lngrid Meijering, die zich met de stichting GetOud inzetten voor een positief beeld van 75-plussers, hebben die droom alsnog laten uitkomen. 'We hebben hen in de kleding gestoken die bij hun droomberoep hoort en hen op de foto gezet. Er kwamen ontroerende verhalen los. 'Wat Ik later wilde worden’ is de titel van hun gisteren gepresenteerde boek en van een fototentoonstelling. De foto's op deze pagina's komen uit het boek.
PILOOT Niek Schepman (85, Den Haag): “Ik had een broer die de zee op wilde. Ik wilde de lucht in. Ik denk dat het ermee te maken had dat Ik als 8-jarlg jongetje in het sanatorium heb moeten liggen. Je mocht je bed niet uit en dan lag je maar naar die lucht te kijken, hè?l Dat grote blauwe zwerk of soms met wolken, waar je dan wel door heen wilde breken. Heel soms, het was echt zeldzaam, trok er iets voorbij In de lucht. Een zeppelin die over zweefde was een enorme gebeurtenis. Maar ja. toen is mijn vader gestorven en werd het voor mijn moeder heel moeilijk, alleen met zeven kinderen. Arbeidsdienst, militaire dienst, de oorlog, onderduiken in Groningen. Steeds doorkruiste wel iets mijn plannen om de luchtvaart in te gaan. Hier zit een heel gelukkig mens, hoor. Mijn loopbaan lag bij het Centraal Plan Bureau. Ik ben destijds door professor Jan Tlnbergen gevraagd te helpen dat bureau op te richten. Een heel goede man, professor Tlnbergen. Achteraf denk ik ook: het: het zou voor mijn vrouw geen pretje zijn geweest als Ik wel piloot was geworden Dan was Ik altijd weg geweest.”
OPERAZANGERES Truus Zuurmond (97, Rijswijk): „Als kind al deed Ik op mijn kamertje voor de spiegel net alsof ik zong en bewoog dan heel elegant met mijn handen door de lucht. Ik had altijd maar een ding in mijn hoofd: zingen, zingen, zingen. Maar voor zangles was bij mij thuis vroeger geen geld. Mijn vader was haringvisser en vis was in die tijd nog geen cent waard. Op mijn twaalfde werd ik 'dlenstje' in de huishouding. Ik had het geluk dat ik een keer kon invallen in een koortje. De dirigent daarvan was Coen Ruivenkamp senior, een heel bekende in Den Haag. Hij hoorde mij zingen en was zo onder de indruk, dat hij me gratis onder zijn hoede wilde nemen. Met het koor zijn we ooit naar een operahuls geweest waar vroeger de opera's van Mozart gespeeld werden. Ik raakte helemaal in trance en merkte niet eens dat de bus zonder ml] vertrok.”
HUISARTS Dlny Vleemlng (83, Den Haag): “Ik heb altijd het liefst huisarts willen worden. Maar doorleren vond ml]n moeder helemaal niet nodig. De huishoudschool. ook wel de spinazieacademie genoemd. vond ze goed genoeg. Ik ben blij dat ik toch mijn eigen gang ben gegaan en naar de mulo ben gegaan. Daarna ging Ik de verpleging in. Op ml]n zestiende was er werk voor mij in de zwakzinnigenzorg bij het Zwarte Kruis. We woonden toen nog in Gelderland. Die zwakzinnigenzorg was wel zwaar voor een 16-jarlge. hoor. Een half jaar later stapte ik over naar de gewone verpleging. Maar weer vier jaar later huwde Ik, kreeg vervolgens een kind en dan moest je als vrouw stoppen met werken. Bij toeval heb ik mijn oude vak weer kunnen oppakken. We waren naar Den Haag verhuisd en daar kwam ik met de kinderen bij] de huisarts. Het viel hem op dat ik veel medische termen kende en zijn assistente had net ontslag genomen. Zo ben ik bij hem assistente geworden en vijftien jaar gebleven. Ik heb zulke leuke dingen meegemaakt, van bevallingen tot het flauwvallen van een boom van een kerel bij het bloedprikken. Stiekem had ik toch huisarts willen worden.”